geneeskruiden
   
 Theoprastus
theophrastus

Theophrastus van Eresus (ongeveer 371 – 287 v.Chr.) op Lesbos (Grieks Theophrastos) was een leerling van Aristoteles, die na diens dood (in 322 v.Chr.) leider werd van de Peripatetische School. Hij was evenals zijn leermeester een universeel geleerde die zich met vele takken van wetenschap bezighield. Tijdens zijn leiderschap als 'scholarch' van de 'peripatetische' school had hij meer dan 2000 leerlingen en hij schreef zo'n 200 boeken en verhandelingen, waarvan slechts een zeer klein deel bewaard is gebleven. De Physicorum placita ('Meningen van de natuurfilosofen') behandelt de anatomie en fysiologie van planten en daaraan dankt Theophrastus de eretitel 'vader van de botanie'.hij wordt als één der eerste botanici beschouwd. Plinius de Oudere (1e eeuw n. Chr.) vermeldt hem enkele keren in zijn Historia naturalis.

Theophrastus heeft  het oudste Griekse geschrift over plantkunde op zijn naam staan

"De historia plantarum " .

Kort voor zijn dood (circa 287 v.Chr., hij was toen 85) beklaagde hij zich erover dat een mensenleven veel te kort was om alle problemen te doorgronden.


 Theophrastus deed een poging om te ontdekken of er een orde in het plantenrijk gevonden kon worden. Hij was de eerste die planten in hun relatie tot elkaar beschouwde en bestudeerde om hun eigen intrinsieke waarde. Hij keek niet in de eerste plaats naar hun praktische nut voor de mens (voedselplant, geneeskruid, gebruiksplant). Magie en geneeskunde waren twee krachtige drijfveren om meer over planten te weten te komen, maar Theophrastus wilde ze op een andere manier leren kennen: louter om kennis te vergaren. Vanuit die kennis ontstonden lamgzaam verbanden tussen bepaalde planten. Theophrastus paste het classificatieprincipe, dat door Plato en Aristotels was geïntroduceerd, toe op de plantenwereld. Hij begon met zichzelf twee vragen te stellen: "Welke planten zijn er?" en "Wat zijn de kenmerkende eigenschappen die deze plantn van andere onderscheidt?"
Verreweg het grootste deel van zijn talrijke geschriften ging verloren of is slechts fragmentarisch bewaard. Zijn werk over de Ionische natuurfilosofie legde de grondslag voor latere studies over de geschiedenis van de filosofie. Volledig bewaard zijn twee waardevolle werken: één over plantkunde en een bundel “Charakteres” (“Karaktertypen”), waarin Kruiperigheid, Boersheid, IJdelheid, Vrekkigheid en vele andere karaktertrekken kort worden gedefinieerd en met voorbeelden geïllustreerd. Deze werken van Theophrastos zijn in de 15e eeuw uit het Grieks in het Latijn vertaald door Theodorus Gaza: de causis plantarum en de historia plantarum. Ze worden nu als zijn belangrijkste boeken beschouwd. Theophrastus wordt wel eens de "Vader van de Plantkunde" genoemd. Hij beschreef 480 groepen planten, die hij indeelde op basis van veelal morfologische kenmerken. Heel erg opvallend was dat hij de kelk- en kroonbladeren interpreteerde als gemodificeerde bladeren. Deze veronderstelling bleek meer dan twee millennia later juist te zijn. Enkele plantengeslachten die beschreven werden door Theophrastes zijn Crataegus, Daucus, Asparagus en Narcissus. De oorspronkelijke Griekse manuscripten zijn later verloren gegaan. Het is dus onmogelijk na te gaan wat Theophrastus zelf geschreven had. Een ander bekend werk is De karakters. Enkele fragmenten van over de stenen, over de winden, over vuur zijn bewaard gebleven.
Zijn Charakteres vond sinds de 17e eeuw veel navolging, onder meer door de Fransman La Bruyère (Les Caractères), in Engeland Sir Thomas Overbury (Characters, 1614), in de Zuidelijke Nederlanden Richard Verstegen (Scherpsinnighe characteren, 1619
Naar de Griekse plantkundige Theophrastus is een plantenfamilie genoemd, voorkomend in (sub)tropisch Amerika: Theophrastaceae. De familie omvat vier geslachten die tesamen meer dan 100 soorten omvatten. Meest kleine bomen of heesters, die vaak aan het eind van de takken bladkuiven hebben.
Een probleem was echter de naamgeving. Er bestonden geen algemeen aanvaarde namen. Elke streek viel terug op de aanduidingen die daar van oudsher in omloop waren. Zelfs binnen een klein gebied kon dezelfde naam worden toegekend aan verschillende planten. Soms hing je leven er zelfs van af: "Van de verschillende planten die strychnos worden genoemd," schrijft Theophrastus, "is de één een eetbare en gecultiveerde plant met besachtige vruchten, maar er zijn nog twee andere soorten: eentje wekt de slaap op, de andere maakt je gek." Tot de achttiende eeuw maakten apothekers misbruik van deze naamsverwarring en moedigden haar zelfs aan om hun in een waas van geheimzinnigheid gehulde kennis te beschermen en hun machtspositie te handhaven.

Ongeveer 2300 jaar geleden deed de Griekse onderzoeker Theophrastus (ca. 372 - 287 v. Chr.) iets dat door niemand eerder was aangevat: hij begon op een systematische en wetenschappelijke manier planten te bestuderen. Natuurlijk waren de kwaliteiten van diverse nuttige planten en bomen sinds mensenheugenis bekend bij degenen die zich hierop verlieten. Voor het bouwen van schepen koos men bijvoorbeeld meestal zilverspar, spar en Syrische ceder. Voor de planken van het dek van schepen werd lindenhout gebruikt.
Handelsschepen waren meestal van sparrenhout gemaakt, omdat dit niet ging rotten. Voor het bouwen van huizen werd zilverspar het meest toegepast. Kermeseik had de voorkeur voor de assen van kruiwagens en de dwarsbalken van lieren en psalters. Van iep werden deuren en wezelvallen gemaakt, omdat dit hout het minst kromtrok, maar het werd ook voor scharnieren gebruikt. Steeneiken en judasbomen zorgden voor wandelstokken, van het hout van de olijfboom werden hamers en handboren gemaakt. Cultusbeelden werden meestal van palmhout gemaakt, dat licht, zacht en makkelijk te bewerken, maar minder broos dan kurkeik was. De beste houtskool kwam van compact hout zoals de steeneik, wintereik of aardbeiboom. Bijenhouders wisten welke planten de beste honing produceerden. En van veel planten was de geneeskrachtige of giftige werking bekend. Bijvoorbeeld de gevlekte scheerling, die "een gemakkelijke en snelle dood" gaf (dit gif had Socrates in 399 v. Chr. gebruikt voor het drankje waarmee hij zelfmoord pleegde). Een lucratief kruid In Theophrastus' dagen was de cyclaam, die in het oude Griekenland door vrouwen op grote schaal als voorbehoedmiddel werd gebruikt.
terug naar overzicht