Geneeskruiden
Paracelsus 1500
paracelsuskleur Zijn vader was de arts Wilhelm Bombast von Hohenheim, zijn moeder een lijfeigene van het klooster te Einsiedeln. En dat is dan ook alles wat we over haar weten. Volgens toenmalig gebruik was ook Paracelsus zijn leven lang 'lijfeigene' van dit klooster - een eigenaardig gegeven voor iemand die de spreuk tot zijn motto had gemaakt: "Alterius non sit qui suus esse potest" (wie in staat is zichzelf te zijn, moet zich niet ondergeschikt maken aan een ander). Na haar dood trokken vader en zoon in 1502 naar Villach (Karinthië). Van kinds af aan werd Theophrastus door zijn vader in de geheimen der natuur onderwezen; daarnaast noemde hij voornamelijk geestelijken en alchemisten die zijn leraren waren geweest. Hij schijnt verschillende universiteiten in Duitsland, Frankrijk en Italië te hebben bezocht en rond 1515 in Ferrara de dokterstitel te hebben verworven. paracelsuszw

En dan begint de tijd die in de Paracelsus-biografie als 'de grote wandeling' bekend staat. In de loop van tien jaar trok von Hohenheim door heel Europa. Over zijn reisweg zijn verschillende routekaarten in omloop, die echter voor een groot deel op vermoedens berusten. Zelf noemt hij "Granada, Lissabon, Spanje, Engeland, Brandenburg, Pruisen, Litouwen, Polen, Hongarije, Walachije, Transsylvanië, Kroatië, Slovenië en andere landen". Daarbij deed hij niet alleen ervaring op met de meest uiteenlopende ziekten en geneeswijzen, maar nam hij ook als militair geneesheer deel aan diverse oorlogen. De universitaire geneeskunde bleek hem daarbij van weinig nut, en hij zocht zijn heil bij de volksgeneeskunde. Barbiers - die in die tijd vaak als chirurgijn optraden - kruidenvrouwen, beoefenaars der zwarte kunst, alchemisten en kloosterlingen werden zijn leraren. Maar ook op deze manier lukte het hem niet tot een grotere zekerheid in de geneeskunst te komen.wee levenswegen. Paracelsus beschouwde het echter als zijn roeping als christen om door te zetten met zijn zoektocht naar werkelijke geneeskuns

In 1524 of 25 was hij in Salzburg te vinden. Hier ontstond zijn eerste theologische geschriften. Maar ook dit verblijf was van korte duur. In de lente en zomer van 1525 kwam het tot onlusten, toen mijnwerkers en boeren tegen de Salzburger prins-aartsbisschop in opstand kwamen. Welke rol Paracelsus hierbij heeft gespeeld, is niet duidelijk; vast staat dat hij de stad toen zeer plotseling weer heeft verlaten. Eind 1526 kwam hij in Straatsburg aan, kennelijk met de bedoeling om hier zijn vaste woonplaats te kiezen. Hij verwierf het burgerrecht en werd lid van het gilde Zur Luzerne, de beroepsvereniging van onder andere korenhandelaars, molenaars en chirurgen. Korte tijd later werd hij echter gevraagd om in Bazel de boekdrukker Johannes Froben, een van de intimi van Erasmus van Rotterdam, te behandelen. De geleerde drukker leed al langere tijd aan een aandoening van zijn rechter enkel, zijn artsen wisten er geen raad mee en er was zelfs sprake van het amputeren van het been. Van Hohenheim wist hem te genezen en werd vervolgens, in 1527, door de gemeenteraad van Bazel tot stadsgeneesheer benoemd.

Aan deze functie was tegelijk een hoogleraarschap aan de medische faculteit verbonden. Althans, daar gingen zowel von Hohenheim alsook de reformatorisch gezinde gemeenteraad blijkbaar van uit. De conservatieve faculteit was het hier echter niet mee eens en stelde allerlei (formele) voorwaarden aan Von Hohenheim, waar deze waarschijnlijk niet op in ging. In deze van begin af aan gespannen sfeer publiceerde hij zijn beroemde collegeaankondiging, waarin hij zei dat hij zich niet op autoriteiten zou beroepen, maar dat hij door zou geven wat zijn eigen ervaring en zijn eigen werk hem hadden geleerd.

Dit hele systeem lapte von Hohenheim dus aan zijn laars - heiligschennis zonder weerga. Bovendien gaf hij een aantal colleges niet in het Latijn, maar in het Duits, en vulde zijn collegezaal zich met een bont publiek dat van overal kwam aanlopen. Zijn optreden leverde hem al gauw de spotnaam op: de woudezel van Einsiedeln. Kenmerkend voor deze periode is de bekende anekdote die vertelt hoe hij een medisch leerboek in het sint-jansvuur heeft gesmeten. Naast de problemen met de faculteit ontstond spoedig een conflict met de plaatselijke apothekers, aangezien von Hohenheim, die als stadsgeneesheer ook met de controle over de apotheken was belast, de daar heersende misstanden aan de kaak had gesteld. De situatie loopt uit de hand toen een door hem genezen kanunnik het beloofde honorarium weigerde te betalen. Het kwam tot een rechtszaak, die von Hohenheim verloor. Hij werd boos en beledigde blijkbaar de rechterlijke macht. Om te voorkomen dat hij werd opgepakt, zag hij zich gedwongen de stad hals over kop te verlaten.

Het vagantenleven begon opnieuw. Eerst naar Kolmar in de Elzas, dan verder door Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk. Overal wachtten talloze patiënten; daarnaast schreef of dicteerde Paracelsus zijn medische en theologische werken. Vele duizenden pagina's, waarvan bij zijn leven slechts een kleine fractie werd gedrukt. Van al zijn medische boeken kon hij alleen Die große Wundartzney en enkele kleinere geschriften over de syfilis in druk zien verschijnen. In zijn verhandelingen over de syfilis waarschuwt Paracelsus voor een overmatig gebruik van het guajakhout (pokhout), en prompt zorgen de importeurs voor een drukverbod.

Op 21 september 1541 maakte Paracelsus in Salzburg zijn testament op. Hij overleed 3 dagen later. De doodsoorzaak is officieel nooit opgehelderd.

                                                                                      Zijn theorie
Paracelsus ging uit van het oude, hermetische inzicht, vervat in de tabula smaragdina: zo boven, zo beneden. Het universum is op de verschillende niveaus volgens overeenkomstige patronen opgebouwd. De mens, als microkosmos, bevat alles wat er in de macrokosmos te vinden is. Zodoende kon de studie van de wereld uitsluitsel geven over de mens, en vice versa. "Alles wat er in de grote wereld is, niet meer en niet minder, is ook in het menselijk lichaam aanwezig. Dezelfde soorten hout, stenen, kruiden etc. die er in de buitenwereld zijn, zijn er ook in de mens, alleen niet in dezelfde gedaante als in de elementen… Wie in staat is de gedaanten ervan in het menselijk lichaam te herkennen - dus: dit is de saffier in de mens, dat de mercurius, dit de cipres, dat flos cheiri etc. - die heeft het boek van het menselijk lichaam juist bestudeerd en doorgrond." (Artsen op dwaalwegen pg. 67) Magie maakte de verborgen verbanden zichtbaar.

Zonder kennis van de wereld kon je dus, volgens Paracelsus, geen arts zijn. In het Volumen Paragranum legde hij uit dat de geneeskunst op vier pijlers berust: filosofie, astronomie, alchemie en ethiek. Filosofie is te verstaan als natuurfilosofie, kennis van en inzicht in de kosmos. "Waar de filosoof eindigt, begint de arts", is een typerende uitspraak van hem. De astronomie behelst de kennis van de bovenste sfeer, oftewel lucht en vuur, terwijl de filosofie zich vooral met het vaste en het vloeibare bezighoudt. Deze elementen zijn een soort grondbeginselen waar alles uit voortkomt; 'moeders' werden ze door Paracelsus genoemd.

Evenzo was de alchemie voor hem niet de kunst om onedele metalen in goud te veranderen, maar de kunst om geneesmiddelen van hun slakken te bevrijden en in zuivere vorm te vervaardigen. "Wat de ogen aan het kruid zien, of aan stenen of aan bomen, is niet het geneesmiddel. Ze zien alleen de slakken; maar inwendig, onder de slakken, ligt het geneesmiddel. Nu moeten eerst de slakken ervan worden afgebikt, daarna is er het geneesmiddel." (Artsen op dwaalwegen pg. 83). Vanwege dit concept wordt Paracelsus als de vader van de moderne geneesmiddelbereiding, of iatrochemie, beschouwd.
In dit Volumen Paramirum (in het Nederlands: Wat ons ziek en gezond maakt), een van zijn belangrijkste werken, is vooral een uitgebreide uiteenzetting van zijn etiologie (leer van de ziekteoorzaken) te vinden. Hij beschreef daar vijf gebieden van waaruit de mens ziek kon worden, die hij entia noemde: het ens astrale, het ens veneni, het ens naturale, het ens spirituale en het ens dei. Deze omvatten kosmische en meteorologische invloeden, het fysiologische gebeuren, psychische krachten en goddelijke beschikking. Waarmee in feite een grandioos beeld van de totaliteit van de mens werd ontworpen.
In het Opus Paramirum groef Paracelsus nog wat dieper om te laten zien hoe gezondheid en ziekte in hun werk gingen. Hij stelde de vraag die zich al de Griekse natuurfilosofen, van Thales tot Empedocles, hebben gesteld: wat zijn de grondbouwstenen waaruit alles is opgebouwd? En zijn antwoord luidde: er zijn drie substanties: sulfur, mercuur en sal. Substanties niet in de zin van materiële, chemische stoffen, maar eerder van basisprincipes of processen. En hij zei: vergelijk het lichaam met een brandend stuk hout: wat er brandIt, is sulfur; wat in rook opgaat, mercuur; wat tot as wordt, sal. Zolang de drie in harmonie met elkaar functioneren, is de mens gezond. Bij ziekte was het zaak erachter te komen welk van de drie principes als eerste uit de pas ging lopen.
Verder bevatte het Opus Paramirum een verhandeling over het wezen van de vrouw, met haar eigen "anatomie" en haar eigen ziekten, die verschillen van die van de man en dus ook anders behandeld moesten worden. En daarbij ging het om alle ziekten, niet alleen om specifieke vrouwenziekten. Paracelsus - die in zijn leven bepaald geen vrouwenvriend was - beschreef de vrouw hier met veel respect en in poëtische bewoordingen als een aparte kosmos, een 'microkosma'.
Hij sloot dit gedeelte van zijn werk af met een verhandeling over 'de onzichtbare ziekten', ook een van de gebieden waarop hij pionierswerk heeft verricht. (Andere zijn bijvoorbeeld de toen nog nieuwe en uiterst verwoestende syfilis, de geneesmiddelbereiding, de balneologie, en de beschrijving van beroepsziekten, in dit geval de mijnwerkersziekte.) In totaal beslaat alleen al zijn medisch-natuurwetenschappelijk-filosofisch werk, voor zover het behouden is gebleven, vele duizenden pagina's in de klassieke uitgave van K. Sudhoff. Hoogtepunt van deze uitgave is het boek (in deel XII) Astronomia Magna, of de gehele Philosophia Sagax van de grote en de kleine wereld, dat een complete kosmologie en antropologie bevat.
Even omvattend is echter het andere, nog veel minder bekende deel van zijn werk, de verhandelingen over ethische, sociale, maar vooral theologische vraagstukken, waaronder veel commentaren op boeken uit het Oude en het Nieuwe Testament. Ongeveer de helft van deze geschriften is zelfs nog nooit in druk verschenen. Aan de universiteit van Zürich loopt een Paracelsus-project, dat zich onder andere met deze editie bezighoudt. Het zal niet verbazen dat Paracelsus als theoloog al even onconventioneel was als hij als arts was. Zonder zich bij de reformatorische beweging te willen aansluiten, probeerde hij de katholieke kerk van binnenuit te hernieuwen, waarmee hij onder de godsdienststrijders van beide kampen vijanden maakte. "De tempel ligt in het hart, niet in het gebouw; het ornaat bestaat in het geloof, niet in het gewaad; de altaren en de zegen bestaan in de liefde, in de handen. De handen zijn gemaakt om te werken, niet om te zegenen."
Paracelsus stond bekend om zijn lange volzinnen vol hoogdravende taal tijdens zijn colleges. Van het gedeelte van zijn familienaam Bombastus is dan ook de uitdrukking "bombastisch taalgebruik" afgeleid
terug naar overzicht