geneeskruiden
Otto Brunfels 1550
                                               
OTTOBRUNFELS Otto Brunsfels geb. in Mainz omstreeks 1490. Behaalde in 1552 de doctorgraad in  Bazel, ging 1533 naar Bern als stadsgeneesheer, Hij had toen reeds zijn kruidenboek geschreven nl. in 1530, onder de titel Herbarum Vivae Eicones. Een Duitse vertaling volgde in 1532 en 1537 onder de naam Contrafeyt Kreuterbuch, OTTOBRUNFELSHERBARIUM

Otto Brunfels: Herbarum vivae eicones (1530) 

Otto Brunfels, ook wel Otho Brunnfelsz (1488-1534) geheten, was Karthuizer monnik voordat hij van geloof veranderde door Luther. Vlak voor zijn dood was hij stadsarts van Bern (Zwitserland). Brunfels' kruidboek toont alleen maar afbeeldingen (eicones) van planten, die gemaakt waren door een leerling van Albrecht Dürer: Hans Weiditz. Hij tekende naar de natuur en kopieerde geen gedroogde planten. Dit laatste werd bijna altijd gedaan, waardoor sommige planten onherkenbaar werden doordat de tekenaars de planten ondersteboven hielden en de wortels met de stengels verwarden. Vaak werden de bloemen en zaden knollen en knollen werden vruchten. Weiditz deed dit gelukkig niet en tekende alle planten zoals zij waren, met hun fouten en beschadigingen.

Het eerste deel van 'Herbarum vivae eicones' (Levende portretten van planten) verscheen in 1530. In 1531-32 volgde het tweede deel en een derde deel kwam - postuum - in 1536 uit. In 1532 verscheen de Duitse vertaling, onder de titel 'Contrafayt kreütterbuch'. Het bevat vele bladvullende tekeningen. In dit kruidenboek is duidelijk een nieuwe richting te ontdekken, die zich vooral in de Renaissance deed gelden.

Naar Brunfels is het plantengeslacht Brunfelsia (uit de nachtschadefamilie) uit Midden- en Zuid-Amerika genoemd.

Deze vernieuwing van de botanie werd in eerste instantie in Duitsland  uitgebouwd en vond zijn voorlopige voltooiingin het werk van Leonhart Fuchs (1501-1566). Fuchs' De historia stirpium, gepubliceerd in 1542, combineerde de innovaties van de kruidboeken van Brunfels en Bock. De afbeeldingen waren naar de natuur vervaardigd en van grotere kwaliteit dan die welke Weiditz voor Brunfels had gemaakt. In de tekst worden de bestaande beschrijvingen zeer kritisch behandeld. Fuchs' beschrijvingen zijn gebaseerd op uitvoerig eigen onderzoek en tezamen met de afbeeldingen zijn ze de perfecte realisatie van het nieuwe inzicht volgens hetwelk wetenschappelijke kennis in de natuur gezocht moet worden en niet in dat wat anderen daarover hebben geschreven. Deze werkwijze werd snel de standaard voor de botanie. De opkomst van het empirisme ging gepaard met de introductie van  nieuwe hulpmiddelen om dit type onderzoek to vergemakkelijken. In de eerste plaats ging men gebruik maken van het herbarium, ook wel aangeduid als hortus siccus (droge tuin),  een verzameling gedroogde planten, gemonteerd op vellen papier. Deze uitvinding werd in Italie gedaan, de eerste vermelde dingen ervan dateren van rond 1545. Min of meer tezelfdertijd en eveneens in Italie begon men botanische tuinen op to richten. Reeds tegen het einde van de eeuw waren dergelijke instellingen, doorgaans verbonden aan een universiteit, gemeengoed in Europa. In het bijzonder waar het ging om de studie van planten uit veraf gelegen dan wel moeilijk bereikbare  gebieden, waren herbarium en botanische tuin onmisbaar om to voldoen aan de eisen van de empirie. ho

terug naar overzicht