geneeskruiden  

Jacob van Maerlant 1270 
jacobmaerlant Jacob van Maerland is onze grote midden-nederlandse dichter. Hij is omstreeks 1222 geboren te Houthave in Belgie.. Hij gaat later naar Damme. Hier schreef hij omstreeks 1270 "Der Naturen Bloeme" een berijmde vertaling van Thomas van Cantimpre's "De Rerum Novarum". Speciaal boek X behandelt de geneeskrachtige gewassen
Jacob van Maerlant werd geboren in de omgeving van Brugge en vestigde zich in het nabijgelegen Damme. Omstreeks 1260 werd hij koster in het plaatsje Maerlant, vlakbij Brielle, waar hij zijn schrijverschap begon. Hij ligt begraven in een blinde zerk in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Damme. Niet hij zou er onder liggen, alleen zijn lijk, zo redeneerde hij.[1]

In zijn eerste werken sloot hij aan bij de traditie van de ridderromans. Alexanders Geesten was een biografie van Alexander de Grote in ruim 14.000 verzen. Andere werken in die traditie waren Historie van den grale, Merlijns boeck en de Istory van Troyen.

Rond 1270 keerde hij terug naar Damme. Daar ontstond het beroemde Der naturen bloeme (naar De natura rerum van Thomas van Cantimpré), de eerste natuurencyclopedie in de volkstaal. In 1271 bewerkte hij de Historica scholastica van Petrus Comestor tot Rijmbijbel, een vertelling van de Bijbelse geschiedenis in de Nederlandse volkstaal. Hiertegen bestond in de leiding van de rooms-katholieke Kerk veel weerstand, omdat zo de Bijbel voor grote groepen gelovigen leesbaar werd.

Van 1285 tot 1288 werkte Maerlant aan zijn grootste werk, de Spieghel historiael, een bewerking van de Latijnse kroniek Speculum historiale van Vincent van Beauvais, waarin hij de wereldlijke geschiedenis beschreef.

Doctoraal onderzoek (Van Anrooij 1997) bracht aan het licht dat Maerlant tevens de auteur is van het tot dan anonieme Van neghen den besten. Dit zou zijn laatste werk zijn. Het is een van de weinige werken met Europese verspreiding waarvan de brontekst in het Middelnederlands is geschreven. Het werk heeft een verregaande en langdurige invloed gehad op de erecode van de West-Europese ridderlijke elite.

Doordat Maerlant zich in zijn werken van de volkstaal bediende, droeg hij veel bij aan de verbreiding van kennis over allerlei zaken. De Antwerpse dichter Jan van Boendale noemt hem in 1330 "die vader der dietscher dichter algader", ofwel "De stamvader aller dichters in het Nederlands".

terug naar overzicht