Geneeskruiden
Eed van Hippocrates

hippocrateed  De oudste optekening van de eed, die Hippocrates gezworen heeft en zijn leerlingen deed zweren, vindt men in een elfde-eeuws handschrift, dat zich bevindt in de Sint Marcus Bibliotheek te Venetië. Zij luidt aldus:

Ik zweer bij Apollo, den Genezer, bij Asklepios, bij Hygieia, bij Panaceia, en alle goden en godinnen, hen tot getuigen makend, naar mijn vermogen en oordeel,dezen eed, deze verbintenis ten uitvoer te zullen brengen.   

 

Dat ik hem, die mij deze kunst leerde, gelijk zal stellen met mijn ouders, have en goed met hem zal delen, hem op zijn verlangen in zijn noden tegemoet zal komen, zijn kinderen op één lijn zal stellen met mijn broeders, hun, als zij dat onderricht wensen, deze kunst zal leren zonder beloning en schuldbewijs; aan de voorschriften, voordrachten en al het overige onderricht zal laten deelnemen, mijn zonen en die van mijn leermeester, benevens de leerlingen die zich hebben aangesloten, en gehouden zijn aan de medische wet. Niemand anders echter.  


 
De geneeskundige behandeling zal ik aanwenden ten nutte der zieken naar mijn vermogen en oordeel; Ik zal van hen af houden wat ten verderve of tot letsel kan zijn.   
 
Ik zal aan niemand, ook niet op zijn verzoek, enig dodelijk geneesmiddel toedienen, noch mij lenen tot enig advies van dien aard; evenmin zal een vrouw een pessarium voor miskraam van mij bekomen. Want rein en vroom zal ik mijn leven leiden en mijn kunst uit­oefenen

 
Ik zweer geen steenlijders te zullen snijden, doch bij die operatie voor deskundigen plaats te zullen ruimen. Waar ik een woning binnentreed, zal ik dat doen in het belang der zieken, mij onthouden van elke moedwillig verkeerde handeling, in het bijzonder van lijfsgenot met vrouwen en mannen, hetzij vrijen of slaven.   
 
Al, wat ik tijdens de behandeling zal zien  of horen ook buiten de praktijk in het leven der mensen, voor zover dit nimmer mag worden rondverteld, zal ik verzwijgen, ervan uitgaand dat zulke dingen geheimen zijn.  
 

Moge, indien ik dezen eed in vervulling breng en niet breek, het mij welgaan in leven en kunst en moge ik bij alle mensen ten alle tijde eervol bekend staan; bij overtreding echter en meineed moge het tegendeel mijn lot zijn.


 

De eed vangt dus aan met een aanroep der goden. Heel het Griekse godendom, het ganse Helleense pantheon wordt tot getuige aangeroepen; in het bijzonder wordt genoemd Apollo, de god der geneeskunst; zijn zoon Asklepios en diens beide dochters Hygieia en Panaceia. Hiermee de wordt erkend, dat de uitoefening der geneeskunst is een zedelijke daad, die valt onder het oordeel der goden, onder de goddelijke kritiek. Op het ogenblik, dat de arts het waagt, zijn uiterst moeilijk en verantwoorde. lijk beroep te aanvaarden, roept hij den bijstand der Voorzienigheid in en geeft hij uiting aan zijn goede voornemens. Aan het slot van de 'eed grijpt hij daarop weer terug en aanvaardt hij bewust de sancties van hogerhand, die staan op het houden en het breken dezer plechtige gelofte. Indien hij dezen eed in vervulling brengt, moge het hem wel gaan, indien hij hem overtreedt, moge het tegendeel hem overkomen.  


 
Op deze wijze wordt beleden, dat de uitoefening van de geneeskunst onderworpen is aan hogere goddelijke normen van zedelijkheid en bij het aanvaarden van zijn ambt treedt de Griekse arts dus welbewust voor het aanzicht der goden. 
 
Noot!     
 Thans wordt door artsen alleen maar gezworen dat men zich zal houden aan de eisen die de wet aan hen stelt.
 t
terug naar Hippocrates terug naar kruidkundigen terug naar start