geneeskruiden  

Hildegard van Bingen 1125     
hilgeg4
Hildegard von Bingen (1098-1179)
wordt algemeen gezien als een van de opmerkelijkste mensen van de middeleeuwen . In haar eigen tijd werd ze al als zeer bijzonder beschouwd en ook nu nog zijn mensen gefascineerd door deze Duitse abdis, die zoveel talenten had en zulke opmerkelijke dingen deed. Als een van de eerste van naam bekende componisten, en de op haar kruidkundige werken gebaseerde natuurgeneeskunst is vooral in Duitsland een hype. Onder de naam ‘Hildegard-Medizin’ worden tal van kruidenproducten op de markt gebracht. Het door haar gestichte en nog steeds bestaande Benedictijnenklooster op de Rupertsberg is er nog steeds 

 Het tiende kind

Hildegard werd geboren in 1098 als het tiende kind van Graaf Hildebert von Bermersheim en zijn vrouw Mechthild, een adellijk echtpaar,  Haar geboorteplaats was in Bermersheim, noordelijk van Alzey in Rheinhessen. 
 Als 10de kind, en dan ook nog een meisje, werden er van Hildegard waarschijnlijk geen grootse en meeslepende zaken verwacht. Ze werd al bij haar geboorte opgedragen aan de kerk, wat vaker gebeurde bij een tiende kind van een adellijk geslacht, het zogenaamde ´tiende offer´. Hildegard moet een bijzonder kind geweest zijn, dat al op driejarige leeftijd visioenen had van oplichtende voorwerpen, maar dit, intelligent genoeg, verzweeg voor haar omgeving, toen ze besefte dat blijkbaar niet iedereen dit soort zaken zag

In het klooster
In 1106, als achtjarig meisje, kwam Hildegard daadwerkelijk in een Benedictijnerklooster terecht voor een religieuze opvoeding. Haar mentrix in het klooster was Jutta von Spanheim, een vrouwelijke heremiet uit een rijke vooraanstaande familie, die de wereld de rug toe had gekeerd en haar leven aan God had gewijd. Zij was slechts 8 jaar ouder dan Hildegard. Heremieten waren anders dan normale kloosterlingen, de term is afkomstig van het Latijnse ‘eremita’, wat weer is afgeleid van het Griekse ‘eremites’, wat zoiets betekent als ‘levend in de woestijn’.

Eigen klooster

Tussen de jaren 1112 en 1115 besluit Hildegard om voorgoed in het klooster te blijven en neemt de Benedictijnergelofte aan. Waarschijnlijk werd zij gewijd door Bisschop Otto van  Bamberg. Zij werd toen gekozen als hoofd van de vrouwenafdeling en de tuin van het klooster, binnen de muren echter van het heremietenverblijf.  Dit heremietenverblijf heeft in de loop van de jaren echter een steeds grotere aantrekkingskracht op vrouwen uitgeoefend, en het aantal zusters groeit gestaag en Hildegard neemt het initiatief voor de bouw van een eigen klooster op de Rupertsberg vlakbij Bingen. Dit klooster neemt zij met haar 20 zusters in 1147 in gebruik. Dit alles ging niet zonder tegenwerking van abt Kuno, van het Benedictijnenklooster te Disibodenberg, waar Hildegard eerst met haar nonnen verbleef, deze wilde de al steeds beroemder wordende abdis, voor zijn eigen klooster behouden. In 1165 blijkt ook dit klooster te klein en Hildegard koopt, met behulp van giften en donaties, het voormalige Augustijnerklooster in Eibingen vlakbij Rüdesheim. Hildegard bleef haar domicilie houden op de Rupertsberg, maar stak tweemaal per week in een boot de Rijn over naar Eibingen.

 Visioenen

 Reeds als klein meisje werd Hildegard geconfronteerd met beelden van oplichtende voorwerpen en zag zij profetische beelden. Zelf schrijft ze erover: ----‘Tot mijn 15de jaar zag ik veel, en vertelde ik een aantal zaken ook aan anderen, die ze vol verbazing aanhoorden, en zich afvroegen waar deze dingen vandaan kwamen. Ddat vroeg ik mij ook af en gedurende mijn ziekte vroeg ik een van mijn verzorgsters of ze ook dergelijke zaken zag. Toen zij deze vraag met nee beantwoorde, overkwam mij een grote angst. Vaak vertelde ik in de gesprekken die ik voerde over dingen die in de toekomst zouden plaatsvinden die ik in het heden had gezien, maar nadat ik de verbazing van de toehoorders zag, werd ik meer gesloten.’

Alleen aan Jutta en aan een monnik genaamd Volmar, vertelde Hildegard in die eerste jaren haar visioenen. Volnar zou later haar klerk worden.  In het jaar 1141 gebeurde er iets doorslaggevends in de beleving van Hildegard. Toen ze zoals ze zelf beschrijft: ’42 jaar en 7 maanden oud was’, kreeg zij voor het eerst begrip over de visioenen die zij al vanaf haar kindertijd had. Volgens haar eigen zeggen werd zij gegrepen door de Heilige Geest, zag letterlijk en figuurlijk het licht, zoals ook staat afgebeeld op een miniatuur uit haar eerste werk ‘Scivias’. Zij begint te schrijven naar aanleiding van een visioen waarin zij door God een onmiddellijk begrip van alle religieuze teksten kreeg (iets waar haar opvoeding, volgens haar, tekort in was geschoten) en waarin God haar de opdracht gaf om de visioenen die zij kreeg te beschrijven. Zij omschrijft het zelf als volgt: En het was zo dat………toen ik 42 jaren en 7 maanden oud, dat de hemelen werden geopend en een verblindend licht van een uitzonderlijke helderheid door mijn hersenen stroomde. En het beroerde mijn hart en borst als een vlam, niet brandend maar verwarmend………en plotseling begreep ik de betekenis van de openbaringen in de boeken…..”

Schrijven


.Hildegard zag deze visioenen met haar innerlijk oog, en niet letterlijk  en net zoals de oude Joodse profeten kreeg ook Hildegard de Goddelijke opdracht om alles op te schrijven. In eerste instantie begreep Hildegard niet waarom zij als ‘arme nederige vrouw’ door God was uitgekozen en werd ze zo onzeker dat ze aarzelde om het bevel van God uit te voeren:  “Maar alhoewel ik deze dingen hoorde en zag, door twijfel en minderwaardige gedachten over mijzelf en om verschillende gezegden van mannen, weigerde ik voor een lange tijd aan de oproep tot schrijven gehoor te geven, niet uit koppigheid maar uit bescheidenheid, totdat ik terneer werd geslagen door de toorn van God, lag ik op een ziekbed”. Deze aanvallen van ziekte zouden Hildegard haar hele leven teisteren.

 Overvallen door twijfel besluit ze zich tot Bernhard van Clairvaux te richten voor advies, Bernard van Clairvaux, de toen al zeer beroemde middeleeuwse kerkleraar en grondlegger van de middeleeuwse mystiek, is in eerste instantie nogal voorzichtig in zijn antwoord aan Hildegard. Hij besluit echter wel haar geschriften onder de aandacht van Paus Eugenius de IIIde (1145-1153) te brengen die Hildegard aanspoorde om verder te schrijven, nadat hij de teksten had gelezen. Met deze pauselijke zegen maakt haar werk verder af. Ze noemt het ‘Scivias’ wat een afkorting is voor het Latijnse ‘Scito vias Domini’  (Ken de Wegen van de Heer). Later word Hildegard door paus Eugenius omschreven als de ‘Prophetissa teutonica’.

 Zij schrijft later met behulp van de non Richardis en de monnik Volmar nog twee andere visionaire werken. ‘Liber vitae meritorum’ (het Boek van de Goede Dingen van het Leven) uit 1150-1163 en ‘Liber divinorum operum’ (Het Boek van de Goddelijke Werken) uit 1163, waarin ze vooral verder uitwijdt over haar theologische ideeën.

Physica
Naast deze werken van Goddelijke inspiratie schrijft Hildegard schreef ook een boek over natuurlijke fenomenen en hun helende kwaliteiten ‘Liber subtilitatum diversarum naturarum creaturarum’ (Het Boek van de Geheimen van de Natuurlijke Schepping). Al in de 13de eeuw werd het boek onderverdeeld in de ‘Physica’, een voor het volksgebruik bestemde natuurgenezingsleer en in de ‘Causae et curae’, waarin genezings – en behandelingsmethoden worden beschreven die hun wortels hebben in de antieke kosmologie en in de humoraalleer, verbonden met de christelijke scheppings – en verlossingsleer.  Dit werk is geschreven in 1150 en is heel anders dan de visionaire werken van Hildegard, maar ook in deze boeken zien we een spirituele inspiratie terugkomen. Wat ook opvallend is, is een in onze ogen zeer moderne visie op vrouwelijke seksualiteit, en waarschijnlijk heeft zij ons de eerste beschrijving gegeven van het vrouwelijk orgasme:
                   genezen

 Het ‘Liber subtilitatum diversarum naturarum creaturarum’ is niet geheel origineel, Hildegard heeft zich laten inspireren door de medicinale werken die zijn overgeleverd vanuit de klassieke oudheid, zoals gebruikelijk was in de middeleeuwen, zoals de werken van Hippokrates en Dioscorides, maar ze interpreteert ze wel op een eigen manier en voegt ook nieuwe dingen toe, bijvoorbeeld over planten die de schrijvers van de klassieke oudheid niet kenden omdat ze van Noord-Europese oorsprong waren, bijvoorbeeld Arnica. Ze gebruikte de humorenleer uit de klassieke oudheid als basis, zoals alle geleerden in die tijd en deelt planten in op hun eigenschappen, ze noemt ze heet of koud, vochtig of droog.

 Dit schrijft ze bijvoorbeeld over de Alruin (Mandragora officinarum):

‘De Mandragora is warm, enigszins waterig, en komt uit die aarde, waarvan ook Adam geschapen werd. Ze lijkt wat op een mens. En juist vanwege dat mensachtige voorkomen, heeft ze meer van de duivelse verleider in zich dan andere kruiden en belaagt ons. Vandaar dat de mens er door in zijn gevoelens geraakt word, of die nu slecht zijn of goed, zoals dat ook het geval is met afgodsbeelden. Wanneer men ze uit de aarde heeft getrokken, moeten ze zo snel mogelijk een dag en een nacht in bronwater gelegd worden. Daardoor wordt alles boze en alle schadelijke vochten uitgedreven, zodat ze voor magische kunsten en tovenarijen niet meer deugt. Wanneer men haar echter uit de aarde trekt en bewaart met de aanhangende aarde, dus de plant niet op de voorgeschreven manier wast, dan is ze schadelijk en kan voor vele magische doeleinden gebruikt worden. Men kan er dan al die slechte dingen mee doen, die ook met afgodsbeelden gedaan worden. Wanneer nu een man door die magische invloeden of uit vleselijke lust, zich niet kan matigen, dan moet hij de vrouwelijke gedaante van de plant, nadat ze in bronwater is gewassen, deze met inhoud drie dagen en drie nachten tussen de borst en de navel vastbinden, daarna de vrucht in twee delen splijten en die net zo lang op beide lendenen dragen. Dan de linkerhand van die gestalte fijn wrijven, met wat kamfer vermengen en het dan eten. Dan zal die persoon genezen’.

 

muziek

Muziek was het eerste communicatiemiddel met het Goddelijke voor Hildegard, en haar laatste literaire werk is dan ook een lofzang op muziek, zij beschrijft het als het herbeleven van de vreugde van het Paradijs, voor de Zondeval. Zoals ze ook in haar natuurkundige werken veel bezig was met de staat van de mens voor de verjaging uit het Paradijs en haar streven om terug te keren tot deze zondevrije toestand. De muziek die ze zelf schreef lijkt ook paradijselijk.


 Naar het einde

Uit dit alles blijkt al dat Hildegard niet als de eerste de beste abdis werd gezien. Vier tussen 1158/59 en 1170 ondernomen reizen en een uitgebreide correspondentie met kopstukken van de kerk en wereldlijke macht duiden hier ook al op. In deze brieven blijkt vooral de persoonlijkheid van Hildegard, haar brieven zijn moedig direct en ontroerend eerlijk, ze geeft blijk van een grote vrijgevigheid en betrokkenheid, ook blijkt er een gevoel voor humor uit en een groot psychologisch inzicht uit. Meer dan 300 brieven zijn er van haar bewaard gebleven.

 Haar resterende jaren waren zeer productief. Ze schreef muziek en teksten voor haar liederen, meestal liturgisch gezang dat de Heiligen eerden en de Maagd Maria ter gelegenheid van feestdagen. Er is wat bewijs dat muzikaal toneelstuk Ordo Virtutum (Spel der Deugden) in haar eigen klooster werd opgevoerd.

 In de laatste jaren van haar leven komt Hildegard in een grote strijd met de autoriteiten van de kerk. Ze laat namelijk een geëxcommuniceerde adellijke rebel begraven op het kloosterkerkhof. Geëxcommuniceerden mochten niet in geheiligde grond begraven worden en de bisschop beveelt dan ook dat het lichaam opgegraven moet worden. Hildegard weigert dit te doen omdat volgens haar weten, de man gebiecht had en was gestorven in de Genade Gods. De bisschop gaat zo ver dat hij Hildegard’s klooster in de ban doet en dat de nonnen niet langer de Heilige Mis mogen bijwonen. Hildegard houdt voet bij stuk. Enkele maanden voor haar dood worden al haar rechten hersteld.

 Hildegard overlijdt op 11 september 1179 op 81-jarige leeftijd. Volgens de legende verschenen er tekens aan de hemel toen Hildegard haar laatste adem uitblies. Een prachtig licht liet zich zien, met daarin een rood glinsterend kruis. In eerste instantie werd zij begraven op het kloosterkerkhof op de Rupertsberg, later, in 1642,  vind zij haar definitieve rustplaats in de parochiekerk van Eibingen.

 Heiligverklaring

Al tijdens haar leven doen er al verhalen de ronde dat Hildegard zieken kon genezen, zo is er de legende dat ze tijdens een van haar overtochten over de Rijn een kleine jongen van blindheid genas, door hem de handen op te leggen. Na haar dood, was zij een van de eerste potentiële heiligen, op wie de canonisatieprocedure officieel werd toegepast.  In de 10de eeuw was deze procedure door de Katholieke kerk ingesteld om een heiligverklaring meer officieel te maken. Voor deze tijd werd de titel van ‘heilige’ zonder onderzoek of proces gegeven aan mensen die in het volksgeloof de rol van wonderdoener gekregen hadden, en veel vroege heiligen zijn nooit officieel gecanoniseerd. De eerste heilige die officieel gecanoniseerd werd was Sint Ulrich van Augsburg die in 933 heilig werd verklaard door de paus. Het proces houdt een uitgebreid onderzoek in naar de levenswandel van de mogelijke heilige, eventuele wonderen verricht door de kandidaat. Het proces bevat een aantal stappen, een ervan is de zaligverklaring en de laatste is de canonisatie.

 Ook Hildegard behoorde bij de eerste kandidaatheiligen waarvoor er een canonisatieproces werd gehouden. Het duurde echter heel lang en vier keer werd er een canonisatieprocedure opgestart. De laatste onder Paus Innocentius de IV is nooit afgemaakt, wel verklaarde men haar zalig. Maar in de volksmond was ze allang een heilige. Aan het eind van de 16de eeuw werd zij opgenomen in de Romeinse lijst van martelaren, zonder formele canonisatie, waardoor ze nu toch officieel een heilige is.

terug naar overzicht