geneeskruiden    
                                                    
Herman Boerhaave 1700

boerhaave

Herman Boerhaave,1668-1738, groot Nederlands geleerde. Was te Leiden hoogleraar in de geneeskunde, plantkunde en scheikunde. Toen hij op 23 September 1738 te Leiden stierf treurde heel Europa. om hem in de overtuiging, dat de grootste geneeskundige en onderzoeker van zijn tijd was heengegaan. 

Levensloop

Boerhaave werd geboren in Voorhout. Zijn moeder, Hagar Daelder, een koopmansdochter uit Amsterdam, overleed in 1673; zijn vader, een dominee, hertrouwde toen hij 6 was. Als kind heeft hij vanaf zijn 12e jaar vijf jaar lang geleden aan een hardnekkige zweer aan zijn linker dijbeen, waarvoor vele artsen werden geconsulteerd en vele pijnlijke behandelingen werden toegepast. Deze ervaringen wakkerden waarschijnlijk zijn belangstelling voor de geneeskunde aan, en verhoogden zijn inlevingsvermogen in het lijden van zijn patiënten.

Op de Latijnse school, waar hij in de vierde klas geplaatst werd (hij had al thuis onderwijs gehad; zijn vader had hem eigenlijk voor het domineesambt bestemd), onderscheidde hij zich door hoge cijfers en door steeds als de beste van de klas te eindigen. In 1682 overleed zijn vader plotseling, zijn vrouw en haar 9 kinderen met zeer weinig middelen van bestaan achterlatend. Boerhaave studeerde eerst, deels met hulp van giften van weldoeners, filosofie, theologie en wiskunde aan de universiteit van Leiden, waar hij in 1689 promoveerde op de dissertatie De distinctione mentis a corpore (over het onderscheid van de geest van het lichaam), waarin hij de leerstellingen van Epicurus, Thomas Hobbes en Spinoza aanviel. Hierna ging hij geneeskunde studeren. In 1693 promoveerde hij in Harderwijk in de geneeskunde (waarschijnlijk omdat dat goedkoper was dan in Leiden; financieel zat hij in deze jaren erg krap) en vestigde zich als arts in Leiden. Hij was zeer honkvast: de reis naar Harderwijk zou de langste reis van zijn leven blijven.

In 1701 werd hij benoemd tot lector geneeskunde aan de Leidse universiteit. In zijn inaugurele rede, De commendando Hippocratis studio, beval hij deze grote leermeester aan zijn studenten aan ter navolging. In 1709 werd hij in Leiden hoogleraar in de botanie en geneeskunde, en verrichte in die functie veel goed werk, niet alleen voor de universiteit maar ook voor de Leidse hortus, waar hij veel verbeteringen en uitbreidingen in aanbracht en vele nieuwe soorten beschreef. Op 14 september 1710 trouwde hij Maria Drolenvaux, dochter van een rijk koopman. Ze kregen vier kinderen van wie er slechts een, Maria Joanna, de volwassen leeftijd bereikte en hem overleefde.

In 1714 werd hij benoemd tot rector magnificus van de universiteit, en volgde Govert Bidloo op als hoogleraar praktische geneeskunde. Hier introduceerde hij het nieuwe instituut van de klinische les. In 1715 kwam tsaar Peter de Grote bij hem langs, 's ochtends om vijf uur. Vier jaar (1718) later werd hij ook benoemd tot hoogleraar chemie. In 1722 werd hij ziek en besloot het rustiger aan te doen. In 1724 kocht hij Oud-Poelgeest. Elke plant die geen plaats vond in de hortus verdween naar het veel grotere buiten. Een van zijn leerlingen was Albrecht von Haller uit Bern. In 1728 werd hij gekozen in de Académie Française, in 1730 in de Royal Society in Londen. In 1729 moest hij zijn leerstoelen in de chemie en botanie opgeven. Hij overleed na een langdurig en pijnlijk ziekbed uiteindelijk in 1738 te Leiden en werd in de Pieterskerk begraven.

terug naar overzicht